Dit is hem dan. De durian. Gevreesd om zijn doordringende geur, maar voor veel Thai (en andere Aziaten) hun favoriete stuk fruit en daarom soms liefkozend de koning van het fruit genoemd.

Hoe het smaakt? Tja, dat is lastig. Het is een beetje zoet, een beetje romig, een beetje onbeschrijflijk. Sommigen vinden dat het naar kaas smaakt, anderen naar uien of zweetsokken... Het is ongrijpbaar, en dat is precies wat fascineert. De beroemde reizende kok Anthony Bourdain, die dol was op durian, zou het als volgt hebben omschreven: “Je adem stinkt alsof je je overleden grootmoeder hebt getongzoend.”

Oeps. Zou kunnen, maar in Azië zijn mens en dier er dol op (inderdaad, olifanten en sommige apen lusten het ook). En dat het stinkt, ach, drop stinkt ook.

Het maakt nogal een verschil hoe vers de durian is. Eenmaal geplukt of van de boom gevallen, rijpt de vrucht erg snel. In het begin smaakt het meer naar een harde, bittere groente, daarna wordt het zachter, zoeter en fruitiger. Niet onbelangrijk: ze zitten boordevol vitaminen en mineralen!

Een durian ziet er niet bepaald uit als een schattig appeltje. Het zijn stoere jongens, die durians. Ze hebben een dikke, angstaanjagende stekelige schil en kunnen 20 tot 30 centimeter lang en 10 tot 15 centimeter dik worden, en wegen al snel meer dan 10 kilo. Vanwege die omvang worden ze soms verward met jackfruit (ook wel nangka genoemd), omdat die twee op elkaar lijken. Alleen is jackfruit meestal nog groter. Over jackfruit praten we de volgende keer. Maar.... ga je durian proeven de volgende keer dat je de kans krijgt?