
Sambal komt uit Indonesië en bestaat oorspronkelijk uit gemalen Spaanse pepers. Je hebt al sambal als je de rode pepers met wat zout maalt, of door wat water, olie of azijn toe te voegen.
De bekendste sambal (en de basis voor veel variaties) is sambal oelek, genoemd naar de stamper waarmee de peper in Indonesië wordt fijngemaakt. Maar we kennen bijvoorbeeld ook sambal trassi, met gefermenteerde garnalen; de zoete sambal manis, pedis (pittig!), brandal (extra pittig!) en sambal badjak, die gebakken wordt (met wat ui).
Koks die hun eigen sambal maken en graag experimenteren, gebruiken ook gebakken uitjes, mango, citroengras, pinda's, ananas, gember of kruiden om de sambal hun gewenste smaak te geven. Er wordt wel gezegd dat elke oma in Indonesië haar eigen sambalrecept heeft.
In Thailand kun je in veel foodcourts een vers gebakken vis bestellen. Je krijgt er wat groenten en nam prik bij. De groenten zijn nodig om de zoute en pittige smaak van de nam prik, de Thaise versie van sambal die als dipsaus wordt geserveerd, te neutraliseren.
Deze vis wordt geserveerd met nam prik kapi, een saus met garnalenpasta, pepers, knoflook, limoensap, suiker en vissaus. In het noorden van Thailand zijn ze dol op nam prik ong, met gehakt varkensvlees en tomaat. Of misschien loopt het water je in de mond van nam prik narok (chilisaus uit de hel) met gedroogde pepers, garnalen, vissaus, suiker, knoflook, ui en meerval.
Sambal kan ook op veel manieren worden gebruikt. Om gerechten pittiger te maken, in marinades, voor currypasta's, bij een omelet, in soepen en dips. Ga je binnenkort weer stamppot eten? Denk dan eens aan sambal! Of probeer een likje sambal op je toast, op een gekookt ei, voeg het toe aan je saladedressing of smeer wat op je pindakaasboterham.



