Limoenblaadjes houden van gezelschap, althans zo lijkt het, want ze groeien altijd in paren aan een tak. Dit geeft ze de vorm van een zandloper (of een 8), hoewel de buitenste van de twee altijd wat kleiner is. In Thailand heb je het limoenblad bai makrut, in Indonesië noemen ze het djeroek poeroet en we kennen ook kaffir, naar het blad van de kaffirlimoenboom waaraan de vruchten groeien. Deze boom komt vooral voor in Zuidoost-Azië; kaffirlimoenbomen houden van veel zon, van natte grond en, als ze groeien, van een hoge luchtvochtigheid. Ze hebben een kort seizoen; in de herfst dragen ze slechts ongeveer drie maanden vrucht.

Helaas kun je ze in Europa niet vers krijgen. Door het kille klimaat kunnen ze daar niet groeien en vers transporteren vanuit Azië is niet mogelijk. De bladeren worden binnen enkele dagen bruin. Invriezen kan, maar dit levert kaffirlimoenblaadjes op die na het ontdooien snel slap worden. Gewoon drogen in de Aziatische zon en dan transporteren is de beste manier om de smaak zo vers mogelijk bij je thuis in de pan te krijgen.

Vers, limoen en limoenblaadjes horen bij elkaar. Ruik maar eens aan een kaffirlimoenblaadje, het ruikt heerlijk verkwikkend. Dat verklaart waarom het in zeep voorkomt, maar ook in bieren. En het verklaart waarom het een populaire smaakmaker is in veel Thaise keukens.

De bladeren worden meegestoofd in curry's en soepen en geven langzaam hun frisse aroma af. Omdat ze een beetje taai zijn, worden ze vaak kort voordat het gerecht klaar is verwijderd. Niet altijd. In Thailand laten ze ze vaak zitten, omdat dat daar gebruikelijk is en het er smakelijk uitziet. Soms worden de bladeren heel klein gesneden, als eetbare reepjes zo dun als een haar. Dan geven ze net dat beetje extra smaak, bijvoorbeeld in viskoekjes.